‘Ha, heb ik niet de narrenkap op?
Gekken hangt men niet.’

Het verhaal

Thijl speelt zich af aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Thijl komt naar voren als een bevlogen, maar naïeve idealist. In uitgelaten stemming zingt Thijl op de markt van Damme een satirisch lied waarin hij de Spaanse overheerser Filips II en de paus belachelijk maakt. Een collaborateur verraadt hem, in de hoop zijn deel van Thijl z’n erfenis als beloning op te eisen. Thijl ontkomt, maar in zijn plaats wordt zijn vader gepakt.

De executie van zijn vader drijft Thijl in het verzet. Voortaan verkiest hij daden boven woorden. Zijn doel: de gehate Spanjaarden verdrijven, glorie voor Vlaanderen en vrijheid van godsdienst voor iedereen. Op weg om deze boodschap te verspreiden, belanden Thijl en zijn maatje Lamme Goedzak in een café waar het afgeladen is met zowel mede- als tegenstanders. Geholpen door hun aanhangers verslaan zij de verraders in de kroeg en gaan op weg om Gorkum te bevrijden, onder begeleiding van een martiaal geuzenlied.

Na de verovering van Gorkum komt Thijl in het kamp van geuzenleider Willem Lumey. Lumey is dolblij met de oorlogsbuit, maar niet met de meegebrachte monniken. Thijl heeft bij de overgave van Gorkum aan het stadsbestuur gezworen hen te laten leven. Lumey besluit de geestelijken alsnog op te hangen. Thijl verzet zich krachtig: hij heeft zijn woord gegeven – geuzenwoord. Lumey duldt geen tegenspraak. Hij heeft al snel zijn buik vol van Thijl en stuurt ook hem naar de galg. Zover komt het niet. Thijls vriendin Nele weet hem te redden. Thijl Uilenspiegel, de ziel en de hoop van Vlaanderen, valt dan plotseling dood neer.

Het volk neemt ontzet afscheid van de gestorven held en Nele blijft treurend bij hem achter. Wanneer ’s morgens vroeg het graf wordt gedolven, ontwaakt Thijl even onverwacht als hij gestorven is. Hij verklaart dat hij de ziel van Vlaanderen is en al kan deze soms slapen, sterven zal hij nooit. Hij voorspelt een gouden toekomst voor het Vlaanderenland.

Doe je mee?

Componist in oorlogstijd

Jan van Gilse en zijn opera

De muzikale schepper van Thijl was een idealist in hart en nieren. Net als Thijl verzette hij zich waar hij kon tegen onrecht en onvrijheid. Jan van Gilse (1881-1944) begon zijn muzikale carrière in Duitsland, maar werd in Nederland onder andere dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest en directeur van het Utrechts conservatorium. Ook was hij betrokken bij de oprichting van organisaties die opkomen voor Nederlandse componisten en musici, zoals de Buma en het Genootschap Nederlandse Componisten.

Kort voor de Tweede Wereldoorlog, in 1938, begon Van Gilse aan een grote Nederlandstalige opera, gebaseerd op ‘De legende van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders’ van de Belgische schrijver Charles de Coster. Samen met librettist Hendrik Lindt werkte Van Gilse deze avonturenreeks om tot de opera Thijl, ‘een dramatische legende’.

De thematiek van Thijl is niet los te zien van Jan van Gilses persoonlijke strijd voor het vrije woord en tegen de intolerante maatschappij die de Nazi’s voor zich zagen. Van Gilse vertrok in 1933 uit Duitsland, naar aanleiding van de verkiezingswinst van Hitler. Toen ook in Nederland de oorlog uitbrak en de Duitsers het landsbestuur overnamen nam Van Gilse waar hij kon het voortouw. Het door Van Gilse opgerichte Genootschap Nederlandse Componisten (GeNeCo) sloot zich niet aan bij de in 1940 opgerichte Nederlandse Organisatie van Kunstenaars, die later zou uitgroeien tot de door de Duitsers gecontroleerde Kultuurkamer. Een manifest tegen deze censuurorganisatie, dat op Van Gilses initiatief verscheen, werd door 2.500 kunstenaars ondertekend. Hierop moest Van Gilse, die al sinds het algemeen verbod op het bezoeken van openbare plaatsen door Joden uit 1941 niet meer in het openbaar had opgetreden, onderduiken. Vanuit zijn onderduikadressen bleef hij een van de leiders van het kunstenaarsverzet, en richtte samen met zijn zoon Janric het verzetsblad De Vrije Kunstenaar op, dat in maandelijkse oplage van 3.000 stuks verscheen. Beide zonen van Van Gilse werden voor hun verzetswerk geëxecuteerd, en ook Van Gilse overleefde de oorlog niet. Hij overleed in 1944, en werd onder een schuilnaam begraven in Oegstgeest. De strijder op Van Gilses grafmonument laat symbolisch het zwaard zakken, maar houdt de lier fier omhoog: Van Gilse verzette zich door middel van de kunst.

De opera Thijl was Van Gilses laatste werk. Hij voltooide het in 1941, en droeg het op “Aan de strijders voor recht en vrijheid”. De handgeschreven partituur nam hij naar al zijn onderduikadressen mee. Vlak voor zijn dood voegde zijn vrouw Ada van Gilse op zijn verzoek toe: “.. en aan mijn jongens die voor dit recht hun leven lieten”. De partituur van Thijl is daarmee op zichzelf al een monument geworden voor de Nederlandse vrijheidsstrijd.

Meer over de organisatie van Thijl